
Jozef Smets is voormalig Belgisch ambassadeur in verschillende Afrikaanse landen en voormalig speciaal gezant voor de Regio van de Grote Meren. Hij vindt de besparingen op ontwikkelingssamenwerking onverstandig.
Doek ontwikkelingshulp op, betoogt Mark Elchardus in zijn jongste column (DM 19/9), en investeer in internationale samenwerking en noodhulp. De Vlaming – zo laat hij weten, mede op basis van een enquête uit 1984 – wil dat er eindelijk concrete projecten in de landbouw, het onderwijs en de gezondheidssector zouden komen. De veronderstelling van velen dat heel wat geld blijft plakken aan de vingers van hulporganisaties wordt terloops ook nog even in de tekst gesluisd. De toon is daarmee gezet.
Zelf ben ik als diplomaat gedurende zestien jaar op post geweest in vier landen van Sub-Sahara-Afrika, voorts twee jaar als speciaal gezant voor de Regio van de Grote Meren en zeven jaar op het hoofdbestuur bij de Afrika-dienst. Wat ik vooral gezien heb op het terrein (in die Afrikaanse landen dus) was een gedegen aanpak, met projecten precies in de basissectoren zoals landbouw, onderwijs en gezondheidszorg, en tevens een sterke politieke dialoog met de autoriteiten van de betrokken landen.
Een donor, actief in een bepaalde sector, is immers geloofwaardig en heeft spreekrecht. Dit geeft ons land soft power, met repercussies in andere sectoren en niet zelden toegang tot het hoogste beleidsniveau (president en ministers). Ontwikkelingssamenwerking werkt hier als een hefboom. Die laten vallen, zoals Elchardus bepleit, zou een vergissing van formaat zijn. Integreren in een groter verhaal kan wel. Daarover straks meer.
Migratiestroom
Eerst iets over het Afrika-debat in het algemeen. Ik stel mij namelijk grote vragen bij stemmen die menen dat het uitsluitend zou moeten gaan om strategische grondstoffen, als het ware China en de VS achterna, of om het afblokken van de migratiestroom richting Europa.
Die stemmen komen niet zelden van politici of opiniemakers die geen graten zien in de afbouw van onze bilaterale coöperatiebudgetten met voornamelijk Afrikaanse partnerlanden (de federale budgetten worden alvast met 25 procent verminderd en de Vlaamse coöperatie werd vorig jaar zonder meer afgeschaft, wat betreurenswaardig is).
Het vraagt politieke moed om tegen de stroom in te gaan. Dat betekent ook dat jonge Afrikanen, bijvoorbeeld in het kader van vormingsprogramma’s, hun weg naar Europa moeten vinden. In die context pleit ik voor het herroepen van de recente beslissing van de Vlaamse regering om de basisfinanciering stop te zetten van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid van de Universiteit Antwerpen (IOB), dat wereldwijd wordt erkend als toonaangevende speler in ontwikkelingsstudies, met speciale focus op de Regio van de Grote Meren.
Europa heeft een lange en complexe geschiedenis met het Afrikaanse continent, waarbij weliswaar alle denkbare fouten werden gemaakt, maar waaruit we hebben geleerd – zo hoop ik. Het is aan ons om het anders en beter te doen dan de VS of China, met bijvoorbeeld serieuze Belgische en Europese bedrijven die echter pas hun weg terugvinden naar Afrikaanse landen als daar ook vooruitgang wordt geboekt inzake goed bestuur en corruptiebestrijding, het versterken van de rechtsstaat en van de overheidsinstellingen, een betere basisinfrastructuur, beter opgeleide jongeren en een betere volksgezondheid.
Dat betekent ook: goed gerichte coöperatieprogramma’s. In België hebben we daartoe gouvernementele spelers (Enabel, BIO, e.a.) en ngo’s met ijzersterke expertise.
Bijvoorbeeld in de mijnsector, die in sommige landen van Afrika inderdaad een belangrijke motor voor ontwikkeling kan worden, is het aangewezen om bij het afsluiten van commerciële contracten volop in te zetten op veiligheid, betere arbeidsomstandigheden, het bestrijden van kinderarbeid en van mijnuitbating door gewapende groepen. Organisaties bij ons zoals IPIS hebben ter zake een alom erkende expertise.
Een dergelijke ethisch verantwoorde aanpak hoeft onze toegang tot strategische ertsen en mineralen niet in de weg te staan.
Een pluim trouwens voor Bart Ouvry, uittredend directeur van het AfricaMuseum in Tervuren, die resoluut besloot om het geologische archief niet ter beschikking te stellen van het mijnbedrijf van Bill Gates en Jeff Bezos.
Geïntegreerde aanpak
In de periode van zestien jaar op post in vier Afrikaanse landen ben ik talloze keren onder de indruk gekomen van de honderden Afrikanen die ik heb ontmoet: mensen uit het maatschappelijke middenveld (Congo, Burundi), bedrijfsleiders (Nigeria, waaronder Dangote Group, een van de grootste van Afrika), artiesten, politici uit de regeringspartij, maar vaak ook opposanten die in moeilijke omstandigheden blijven ijveren voor verandering, en heel vaak heb ik gedacht: opgelet, hier zit talent voor mij, er is een nieuw Afrika aan het groeien, een zelfbewuster, moderner Afrika. Laten we die boot niet missen.
In die zin vind ik de denkoefening die momenteel aan de gang is bij de FOD Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking hoogst interessant. Er wordt namelijk gewerkt aan een nieuw model van partenariaat met een geïntegreerde aanpak die ook aspecten als veiligheid, stabiliteit, strijd tegen georganiseerde misdaad en migratie omvat.
De aanpak die al zo’n vijftien jaar geleden werd gelanceerd met de integratie van de zogenaamde drie D’s (diplomatie, defensie en development) komt daardoor in een stroomversnelling terecht, rekening houdend met de internationale evolutie.
Voor die aanpak bestaat ongetwijfeld een grondig draagvlak bij de publieke opinie en bij een groot deel van de politieke klasse. Ontwikkelingssamenwerking, zij het beter geïntegreerd in ons buitenlands beleid, is geen akkefietje waarmee in begrotingsgesprekken komaf kan worden gemaakt.
(Dit opiniestuk verscheen eerder in De Morgen)
(rk)