
De auteur is VRT-journalist en geëngageerd Afrika-deskundige.
Terwijl velen zoals ik denken dat de 21 ste eeuw de eeuw van China zal worden, mikt hij op Afrika, wat
meteen zijn optimisme toont.
Hij begint met de Trans-Atlantische slavenhandel en komt daar op terug op p. 59. Hoewel de
islamitische slavenhandel richting Azië veel langer duurde (650-begin20ste eeuw) en nog twee
miljoen mensen meer transporteerde, 14 miljoen tegenover 12 miljoen, slaagt hij erin deze als
minder erg voor te stellen. Onze schoolboeken zijn daarin even eenzijdig.
Zijn eerste argument om te spreken van de eeuw van Afrika is de demografische groei. Hij ziet de
bevolking onder de Sahara verdubbelen tot 3 miljard in 50 jaar en beschouwt dit als een voordeel
i.p.v. een risico. In 1960 woonden er ten zuiden van de Sahara 228 miljoen mensen, nu 1,3 miljard,
dus maal 6! 38 % is jonger dan 15 jaar ! In 2100 zal 1 op 3wereldburgers Afrikaan zijn, 5 keer zoveel
als de Europeanen. Hij legt ook uit waarom Afrikaanse gezinnen veel kinderen wensen: zij werken
mee op het land en zorgen later voor hun ouders van wie slechts 20% een pensioen zal hebben. Die
20% lijkt me nog hoog. Bovendien is de kindersterfte hoog, maar die vermindert snel: van 17,7% in
1990 tot 7,1% in 2023. In de EU is dat 0,4%. Het geboortecijfer volgde enigszins: van 6,3 naar 4,1(p.
35).
Het uithuwelijken van zeer jonge meisjes is wel een probleem: die volgen dan ook geen onderwijs
meer.
De armoede is overal in de wereld gedaald, behalve in Afrika: daar leven 90% van de allerarmsten (p.
50). Zuid-Soedan is de koploper, ondanks zijn enorme oliereserves. De kwaliteit van het onderwijs is
vaak ondermaats: de overheid spendeert er te weinig geld aan, deels omdat ze ook te weinig
belastingen binnenkrijgt. De meeste Afrikanen werken namelijk in het zwart en de rijken ontwijken
de belastingen. Eén van de oorzaken is volgens de auteur de Trans-Atlantische slavenhandel, die
volgens hem de Industriële Revolutie in Engeland en Europa mogelijk maakte(p. 63), een theorie die
ik hier voor het eerst lees. In ons land begon die nl. al rond 1800, hoewel we nooit deelnamen aan
die handel. Bij zijn verslag van de rubbercampagne in Congo spreekt hij nog over het achterhaalde
getal van “5 miljoen doden, de helft van de bevolking” (p. 64-69), hoewel die campagne slechts in
een klein deel van Congo plaatsvond en er vele doodsoorzaken waren. Hier toont hij zich meer
activist dan journalist. Gelukkig geeft hij wel toe dat de blijvende armoede van het potentieel zeer
rijke Congo en Nigeria ook ligt aan hun leiders, die de rijkdom voor zich houden. En gelukkig zijn er
ook landen zoals Botswana, Ethiopië, Kenia en Ghana die wel vooruitgang maken.
De arbeidsmarkt in Afrika bestaat voor 85% uit ‘informele economie’, zwartwerk dus. Slechts 6,7% is
totaal werkloos. Elk jaar zouden er 15 à 24 miljoen jobs moeten bijkomen om in 2035 aan iedere
jongere werk te bezorgen (p. 81-85). Afrika voert voor 65 miljard dollar per jaar voedsel in, terwijl
60% van de mondiale landbouwgrond ongebruikt in Afrika ligt.
Een bedrijf oprichten is heel moeilijk: banken verstrekken niet graag leningen. En de overheid zorgt
niet of heel traag voor elektriciteit, internet, goede wegen etc. Gelukkig zijn de Afrikanen inventief en
vinden ze van alles om te overleven.
Afrika wordt het meest getroffen door hongersnoden. Hij noemt de Ethiopische van 1984-1985 en
de Somalische van 2011, maar vergeet die van Biafra (Nigeria) met 1 miljoen doden in 1968. De
oorzaak lag bij de politieke leiders en voor Somalië ook bij de terreurgroep Al-Shabaab, niet bij een
graantekort. Eén op vier Afrikanen heeft niet elke dag iets om te eten en 20,4% , 300 miljoen, zijn
chronisch ondervoed. Afrika blijft het continent van de honger, die van moeder op kind doorgegeven
wordt. Door een gebrek aan jodium bij de moeder, worden de kinderen geboren met een laag IQ (p.
112-138).
De landbouw is goed voor 30% van de Afrikaanse economie. 50% is boer of boerin en nog eens 20%
is actief in de landbouwproductie. Toch importeert Afrika jaarlijks voor 65 miljard dollar aan voedsel !
De productiviteit is vergelijkbaar met Europa in de Middeleeuwen (p. 147-155). Congo importeert
3/4 de van zijn voedsel, terwijl het 80 miljoen hectare vruchtbare landbouwgrond bezit. 60% daarvan wordt er niet voor gebruikt. Zoals gewoonlijk wijst de auteur de kolonisatie aan als eerste oorzaak, hoewel die al 66 jaar voorbij is (p. 149-152). Een belangrijkere oorzaak is het gebrek aan
investeringen in irrigatie en het feit dat het aantal tractoren nog hetzelfde is als in 1960, met dit
verschil dat de meeste nu werkloos staan te wachten op onderdelen (p.155-158). De 700 miljoen
boeren kunnen hun oogst enkel verkopen in hun eigen omgeving door gebrek aan wegen en aan
koelwagens. 25% wordt verwoest door knaagdieren of door slechte opslag. En als er al een degelijke
weg is zoals de Central Corridor in Tanzania, dan staan er om de 10 km corrupte politieagenten die je
moet omkopen (p. 159). Kunstmest is te duur en wordt dus te weinig gebruikt. En door de
klimaatverandering warmt de Sahel te snel op en zal er te weinig regen zijn, waardoor de
landbouwopbrengst zal dalen met 2% (p. 163).
Door de afwezigheid van elektriciteit, kookt men op hout of houtskool, waarvoor miljoenen bomen
gekapt worden, waardoor de kale gronden toenemen. Met agro-ecologie zou er meer voedsel
geproduceerd worden. Men bouwt nu een 8.000 km lange en 15 km brede muur van bomen om de
woestijn tegen te houden, maar de bouw verloopt zo traag dat het meer dan 100 jaar kan duren (p.
168-169).
Een delicaat onderwerp is migratie. Nogal wat, maar lang niet alle Afrikaanse jongeren willen naar
Europa, dus naar de voormalige kolonisatoren, niet naar Rusland of China. Vercruysse verklaart het
verschil tussen migranten en vluchtelingen, praat met smokkelaars en beweert dat de dure
migratiedeals de toevloed niet doen afnemen. Hij beweert dat meer welvaart tot meer migratie leidt
en dat daarom de volgende halve eeuw het tijdperk van de Afrikaanse migratie wordt. Nadelen zoals
criminaliteit, aanslagen, overvolle gevangenissen, neergang van ons onderwijs ziet hij niet.
Hij pleit voor blijvende ontwikkelingshulp: die zorgt voor meer vaccinaties, minder kindersterfte,
meer scholieren. Helaas zijn er ook landen zoals Zuid-Soedan die ondanks 8 miljard hulp geen enkele
vooruitgang maakten: 91% is daar extreem arm, 80% is analfabeet, het BNP is gehalveerd sinds de
onafhankelijkheid. Ze geven het geld uit aan onbekwame ambtenaren, 800 generaals en 250.000
militairen (p. 213-224).
Nu de Amerikaanse hulp is weggevallen, beseffen Afrikaanse landen dat ze zelf meer belastingen
moeten innen en dat duurzame ontwikkeling van binnenuit moet komen.
De industriële productie in Afrika is beperkt tot 2% van de wereld: nergens zijn zo weinig fabrieken.
Grondstoffen zoals olie en katoen worden nu geëxporteerd en keren terug als benzine en kledij.
Oorzaken zijn de lage kwaliteit van het onderwijs (die hij ook aantoont) en van de infrastructuur en
het gebrek aan een grote afzetmarkt. Hij zegt er niet bij waarom de Chinezen het katoen liever in
China verwerken dan in het goedkopere Afrika waar mensen 12 u per dag in textielfabrieken werken
voor 30 à 60 euro per maand (p. 247-249). Geschoolde arbeiders vinden is moeilijk door de slechte
onderwijskwaliteit. De Afrikaanse Vrijhandelszone AfCTA, opgericht in 2018, zou de onderlinge
handel moeten stimuleren, maar er zijn nog altijd invoerheffingen, dus nog geen vrijhandel (p. 252-
259).
Een voordeel voor Afrika is wel de aanwezigheid van veel ‘groene’ grondstoffen zoals kobalt en
lithium en van het meeste potentieel aan zonne- en windenergie. Congo bezit 48% van de
kobaltreserves en 13% van de waterkracht. Nu hebben 600 miljoen Afrikanen, bijna de helft dus,
geen elektriciteit, ondanks dat potentieel. Een andere troef is het Congolese regenwoud, de grootste
groene long van de wereld.
China is alomtegenwoordig, domineert de mijnbouw, bouwt de meeste infrastructuur. Meer dan
10.000 Chinese bedrijven zijn actief in Afrika. Het geeft geen geld, het leent het uit. Terugbetalen is
vaak een probleem. De auteur heeft veel lof voor de Chinezen.
Op p. 275 zegt hij dat ze de mijnbouw domineren, op p. 283 dat ze slechts 8% van de
mijnbouwproductie hebben en pas 5 de staan na de VS, Australië, Canada en het VK. De strategische
grondstoffen koper en kobalt hebben zij alleszins. En ze zijn als land de belangrijkste handelspartner.
De EU als blok komt aan een nog groter getal: 350 tegenover 300 miljard (p. 287).
China vergroot ook zijn militaire aanwezigheid, soms samen met Rusland. Ze steunen dictators die
hun eigen burgers afmaken. Hopelijk gaan ze ooit Al Qaeda, IS, Boko Haram en Al Shabaab
bestrijden.
De EU probeert met zijn ‘Global Gateway’ te antwoorden op de Nieuwe Zijderoute. Maar Afrika
houdt niet van de Europese voorwaarden omtrent mensenrechten en milieu.
Na de EU, China en de VS zijn de VAE / Verenigde Arabische Republieken de belangrijkste
investeerders in Afrika. De havenbedrijven van Dubai en Abu Dhabi beheren meer dan tien
Afrikaanse havens. Helaas investeren ze ook in de oorlogen en zijn er ruim 26.000 Afrikaanse
bedrijven geregistreerd in Dubai om in eigen land geen belastingen te moeten betalen. En rijke
Afrikanen kopen er onroerend goed.
De Afrikaanse leiders tonen op klimaatconferenties en elders hun herwonnen zelfvertrouwen. Ook in
de Oekraïne-oorlog, waar ze de kant van Rusland kozen. Nogal wat Afrikanen, o.a. 1.000 Kenianen,
zijn mee gaan vechten, maar zijn grotendeels gesneuveld (DM, 14.04.26).
Oorlogen veroorzaken armoede en ellende in 15 van de 44 landen. Vercruysse geeft het voorbeeld
van Ethiopië, Nobelprijswinnaar van de vrede, dat in november 2020 binnenviel in Tigray en er een
etnische zuivering hield. In 2 jaar tijd vielen er 250.000 à 600.000 doden. Die oorlogen krijgen te
weinig media-aandacht. Oost-Congo hoort daar al 30 jaar bij. Rebellen en Rwandezen roven er de
streek leeg. Vercruysse wijst opnieuw naar de kolonisatie als één van de oorzaken (p. 317), maar
vergeet dat er tijdens de kolonisatie geen oorlog was en Rwanda geen grondstoffen kwam stelen in
Congo. Idem voor de stammenoorlogen in Kenia in 2007 en 2008.
Mali, Burkina Faso, Niger, Somalië worden al jaren zwaar getroffen door islamitische terroristen. Al-
Shabaab krijgt zelfs drones en raketten van de Houthi’s in Jemen. En I.S. heeft nu zijn hoofdzetel in
Puntland (Noord-Oost-Somalië). In Nigeria ontvoeren Boko Haram en I.S. duizenden kinderen, in
Mozambique en Zuidelijk-Afrika zijn de jihadisten ook actief. Nergens slaagt de VN-vredesmacht van
46.000 soldaten er nog in de bevolking te beschermen. De enige oplossing is dat de regeringen met
de jihadisten gaan praten zoals de katholieke en protestantse kerk in Congo deden met de rebellen.
Maar de Congolese regering en de internationale gemeenschap negeren dat kerkelijk initiatief.
Afrika blijft het continent met de meeste oorlogen (uiteraard weer “door de koloniale tijd”), maar in
het grootste deel heerst er vrede, aldus de optimistische auteur (p.330-335).
Het laatste hoofdstuk handelt over goed bestuur. De ongebreidelde corruptie is de grootste
hindernis en de oorzaak van 140 miljard dollar verlies per jaar. Hoe armer het land, hoe meer
corruptie, met Zuid-Soedan op kop. In Kinshasa verdienen politieagenten en hun oversten veel geld
met pseudo-snelheidscontroles, zelfs als auto’s stil staan in de eindeloze files (p. 339-346).
Gelukkig zijn er ook voorbeelden van goed bestuur zoals Oeganda, Ivoorkust, Tanzania, Rwanda,
Botswana. In 2019 waren er meer democratieën, maar door 9 militaire staatsgrepen zijn er nu meer
dictaturen. Ook zij werken de corruptie, armoede, terreur niet weg, ze sturen wel de Fransen naar
huis en ze krijgen steun van o.a. Rusland, dat in maart 2022 in Mali een bloedbad aanrichtte op
ongeveer hetzelfde moment als in Boetsja (p. 348-355).
Positief is wel dat jongeren met gevaar voor eigen leven in Kenia, Tanzania, Gambia, Oeganda,
Nigeria en Congo op straat komen tegen de wantoestanden (p. 360-364).
De schrijver blijft positief tot het einde. Hij ziet vooral vooruitgang en potentieel, veerkracht en
creativiteit. We hopen dat hij gelijk zal krijgen.
Beoordeling
Vercruysse slaagt er perfect in de officiële statistieken te toetsen aan en te combineren met zijn
eigen ervaringen in diverse Afrikaanse landen. Zijn boek is helder gestructureerd, met in elk
hoofdstuk verwijzingen naar andere hoofdstukken waar een onderwerp uitgebreider aan bod komt.
Het is een zeer leerrijk boek van een enthousiaste man dat we zeker kunnen aanbevelen. Bij een
groot publiek is de interesse voor Afrika niet groot genoeg, mede omdat het nieuws uit Afrika bij de
meeste tv-zenders geen prioriteit is. Hier kunnen ze lezen hoe het dagelijks leven eruit ziet, hoe
Afrikanen overleven. Ik heb heel wat feitenkennis opgedaan, maar me wel geërgerd aan de
eenzijdige interpretatie dat bijna alle problemen het gevolg zijn van de kolonisatie die al 66 jaar
voorbij is.
In 1960 stond Afrika er beter voor dan China, Mao maakte het dan nog wat erger met zijn
verwoestende Grote Sprong Achterwaarts en zijn Anti-Culturele Revolutie, maar na 1978 is het er
bovenop gekomen en grotendeels op eigen kracht nummer 2 van de wereld geworden.
Een paar opmerkingen: Vercruysse schrijft dat Afrika het snelst groeit. Globaal gezien is dat juist,
maar bij de 15 snelst groeiende landen staan er (slechts) 8 uit Afrika(Visual Capitalist, 06.04.26).
In staatsgrepen en militaire dictaturen is Afrika wel nummer 1. De zogenaamde vrijheidsstrijders van
de jaren 60 werden nadien dictator voor het leven, met het argument van kapitein Ibrahim Traore in
Burkina Faso: democratie is niet geschikt voor ons land (Athera, 06.04.26).
Op p. 30 zegt hij dat Nigeria in 2100 met 400 miljoen inwoners nummer 2 zal zijn na India. Hij vergeet
China, dat dan nog wel een miljard inwoners zal tellen.
Bij de vele statistieken had ik graag wat meer vergelijkingen gezien met 1960, b.v. hoeveel % was
toen ondervoed ? Hij zegt wel dat Afrika in 1960 200.000 tractoren telde, Azië slechts 120.000. Maar
nu zijn er in India alleen al 2,6 miljoen, terwijl Afrika er nog even weinig telt als in 1960. Bovendien
staan de meeste nu te wachten op onderdelen. Een verklaring voor deze stilstand / achteruitgang
geeft Vercruysse niet.
Bij de literatuur (p. 375-376) mis ik de boeken van de Congolese historici Jean-Pierre Nzeza Kabu
Zex-Kongo en Marcel Yabili, die anders oordelen over de kolonisatie dan Vercruysse.
Nog een paar details: 1863 is 11 jaar na 1852, geen “13” (p. 11). “Ikzelf” op p. 36 moet ‘mijzelf’ zijn
als lijdend voorwerp. Op p. 278 zegt hij: “De Chinezen roofden Afrika niet leeg zoals de Europeanen”.
Maar ze eisten wel overal in Azië en Afrika dat de vorsten en stamhoofden belastingen betaalden aan
hun keizer! ’t Is te zeggen (p. 359) is een gallicisme voor : dit wil zeggen.
Referentie:
Stijn Vercruysse,
De eeuw van Afrika.
Het continent van de toekomst: over jonge dromen, nieuwe kansen en belangrijke uitdagingen.
Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent, maart 2026.
376 p., kaart, literatuur.
ISBN 97894 9341 0190; € 29,99 / E-book: €12,50.
©Jef Abbeel april 2026