‘Een school voor olifanten’ (bespreking door Jef Abbeel)

‘Een school voor olifanten’ is een boek van Sophy Roberts, een Britse journaliste, die in 2020 op zoek ging naar ‘De verloren piano’s van Siberië’ (meteen de titel van dat boek) en die nu een olifantentocht overdoet.

In 1879, zes jaar voordat hij Congo in bezit kreeg, liet Leopold II de Ier Frederick Carter vier tamme olifanten uit Indië overbrengen naar Afrika, om daar een opleidingsschool voor Afrikaanse olifanten te starten en daarmee de rijkdommen van Congo naar de kust te brengen. Die school kwam er,  in het noordoosten van Congo. Ze staat er nu nog, maar dan half vervallen en zonder olifanten, want na de onafhankelijkheid in 1960 was er veel onrust en ivoorstroperij.

Olifanten werden destijds ingezet voor werk op de velden, vervoer van hout, aanleg van wegen en spoorwegen, na 1960 ook voor toeristensafari’s.

Hannibal gebruikte in 218 v.C. al Afrikaanse olifanten in zijn oorlog tegen de Romeinen, de Britten werkten in 1868 met Indische olifanten voor een oorlog in Ethiopië. Leopold had dus voorgangers.

Imperialisme

Sophy Roberts gebruikt die olifantenreis om te bestuderen hoe het Europese imperialisme zich over Afrika verspreid had en welke de gevolgen waren voor de lokale bevolking. Ze beschrijft het vervoer van de olifanten van India naar Zanzibar, waar Arabieren uit Oman aan de macht waren en handel dreven in ivoor, goud en slaven. Mannen, vrouwen en kinderen werden er verkocht voor de prijs van een ezel of minder (p. 66-67). In 1873 dwongen de Britten de Omaanse sultan om die meer dan 1.000 jaar oude slavenhandel af te schaffen.

Tijdens de voettocht langs de route die Carter met de olifanten aflegde, vertelt Roberts over het olifantengeheugen, het slinkend aantal olifanten (“nu nog 5.000 in Afrika”, p. 122-123,  maar een regel verder zegt ze: “50.000 in Tanzania alleen”), Tanzaniaanse mannen die nu nog 9 à 12  vrouwen hebben en 40 à 50 kinderen, de moeilijkheden waarmee de Europese ontdekkingsreizigers, kolonisatoren en missionarissen destijds kampten: hitte, dorst, ziektes, vijandige stammen, gevaarlijke dieren, slavenhandelaars zoals Tippu Tip (1832-1905) en krijgsheren zoals koning Mirambo (1840/1860-1884), die ondanks zijn machtige positie niet kon lezen of schrijven.

Regen, tseetseevliegen, wilde dieren en bijna ondoordringbare paden deden het plan mislukken. Van de vier olifanten overleefde er maar één. En die stierf in Karema, Tanzania,  op 18 juni 1880. Wellicht moesten ze te zware lasten dragen (700 kilo in plaats van 100 kilo) en hadden ze  te weinig eten en drinken gekregen tijdens de te lange zeereis (p. 307-308).

Carter kwam er niet beter van af: hij werd in 1880 gedood door inlandse krijgers.

Aan het einde van het boek vertelt Roberts ook over de Arabische slavenhandel, die volgens haar 2,1 miljoen Afrikanen tot slaaf maakte tussen 650 en begin 20ste eeuw (p. 311 en 384). Dat is wel ver van het werkelijke aantal, dat rond 14 à 15 miljoen lag, nog hoger dus dan de trans-Atlantische slavenhandel (12 miljoen), die ook minder lang duurde (ca. 1442-1870).

Na het mislukte experiment met de Indische olifanten liet Leopold in 1899 in Api, Noordoost-Congo, een school oprichten, die in 1910, één jaar na zijn dood, 35 afgerichte olifanten telde. Nadien werd er nog een tweede school opgericht. De laatste tamme olifant overleed daar in 2010.

Het boek eindigt met een overzicht van de belangrijkste etnische groepen in Oost-Afrika, de vele personen die betrokken waren bij de olifantentocht van 1879, interessante eindnoten. Helaas staan er in de tekst geen verwijzingen naar deze noten. Er is ook een selectieve bibliografie en een index.

Beoordeling

De schrijfster kan heel mooi vertellen, met veel empathie voor de Afrikanen. Ze heeft een groot inlevingsvermogen en toont een intense belangstelling voor Afrika, zowel voor de mensen, hun talen en culturen als voor de dieren.

Maar Roberts is geen objectieve historica. Al in het woord vooraf laat ze merken dat ze niet onbevooroordeeld is. Soms lijkt haar boek meer op een pamflet vol verontwaardiging dan op objectieve geschiedschrijving. Ze benadrukt enkel de negatieve kanten van de kolonisatie.

Ze steunt te veel op het boek van Adam Hochschild, die het getal van 10 miljoen doden bedacht en de praktijk van handen afhakken. Die 10 miljoen (op een toenmalige bevolking van 10 à 15 miljoen) waren er wellicht een half miljoen en ze stierven bovendien door diverse oorzaken: ziektes, ondervoeding, en er waren minder geboortes.

En handen afhakken bij Congolezen die de quota voor rubber niet haalden, was contraproductief, zoals Leopold II destijds zelf al zei. De zgn. bewijzen zijn schaars: soms was er een medische oorzaak, bij de foto uit 1905 van de Britse consul Casement die voor verontwaardiging zorgde was het een ongeval met een everzwijn. De boeken van Congolese historici die Roberts tegenspreken staan dan ook niet in de ‘selectieve’ bibliografie: Jean-Pierre Nzeza Kabu Zex-Kongo, Léopold II. Le plus grand chef d’Etat de l’histoire du Congo (Paris, 2019) en Marcel Yabili, Le roi génial et bâtisseur de Lumumba, un exercice critique hisorique sur le plus grand fake news (Lubumbashi, 2020). Ook in dat opzicht is de bibliografie ‘selectief’.

De schrijfster overschat ook het toerisme van de Belgen in 1897: volgens haar bezocht 1 op 4 Belgen de mensentuin in Tervuren, terwijl toen bijna niemand buiten zijn dorp of streek kwam.

Tegenspraak

Geregeld spreekt ze zichzelf tegen in cijfers: op dezelfde pagina 123 staat dat er nog maximaal 5.000 olifanten zijn in heel Afrika, maar wel 50.000 in Tanzania alleen. Volgens het Wereldnatuurfonds (WWF)  leven er nog 400.000 in Afrika en 45.000 in Azië.

Als de inwoners te veel wild afslachtten, dan lag dat aan de kolonisatoren die de geweren aan hen verkocht hadden (p. 237). Elders zegt ze dan weer dat de stroperij eeuwenoud was en dus dateerde van voor de kolonisatie (p. 278). De Arabische slavenhandel van 14 à 15 miljoen slachtoffers wordt herleid tot 2,1 miljoen mensen (p. 311 en 384).

Het boek is mooi uitgegeven, met een stevige kaft en veel functionele foto’s die een duidelijk tijdsbeeld geven. De kaartjes hadden groter mogen zijn en meer plaatsnamen mogen bevatten.

En een verklarend lijstje van de vele Afrikaanse begrippen zoals hongo, howda, mahouts, ruga-ruga, boma, tembe, dhow, … zou zeer welkom zijn.

Bij de landen die Afrika nu uitbuiten, staan geen namen. Ze had die landen (China, Rusland, VS, …) beter wel genoemd.

De schrijfster zegt dat Duitsland na de Eerste Wereldoorlog zijn kolonies moest afstaan aan de Britten (p. 141 en 199). Dat klopt slechts gedeeltelijk: België kreeg Rwanda en Burundi, Zuid-Afrika kreeg Zuidwest-Afrika/Namibië. Eén zetfoutje: p. 250: wrattenzijn moet wrattenzwijn worden.

Referentie:

Sophy Roberts,

Een school voor olifanten.

In het spoor van Leopolds waanzinnige expeditie naar het hart van Congo.

Vertaling van ‘A Training School for Elephants, door Tine Poesen en Janne Van Beek.

Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2025.

408 p., kaartjes, foto’s, lijstjes, noten, bibliografie, index.

ISBN 978-90-599-6015-2; € 27,99.

© Jef Abbeel, maart 2026

Nos sponsors